STEMWIJZER
voor de toekomst


Energie in 2050


In het kort: In 2050 moet 80 tot 95% minder CO2 uitgestoten worden dan in 1990. De energie die nu door fossiele branstoffen geleverd wordt, moet in 2050 vervangen zijn door duurzame energiesoorten: de energie verandering. De energievoorziening in Nederland is dan voornamelijk elektrisch en duurzaam opgewekt door windmolens en zonnepanelen. Te weinig ruimte voor de opwekking van energie en de bijkomende hoge kosten zorgen voor een vermindering in het energieverbruik van 50 tot 70%. De energieconsumptie binnen Nederland en de EU zal sterk verminderen en daarmee ook de levensstandaard. Om de levensstandaard toch op een acceptabel niveau te houden is een afname van de bevolking binnen Nederland en de EU vereist.

Situatie 2015

De ongeveer kostprijs voor de opwekking van 1 kWh is door: kolen 4 - 6 cent, gas 7- 8 cent, windmolens op land 8 - 10 cent, windmolens op zee 15 cent en zonnepanelen 12 cent (prijspeil 2014). De fossiele brandstoffen hebben ieder hun specifieke verbruiker.

  • Olie wordt voornamelijk verbruikt in het transport zoals auto's, schepen en vliegtuigen. Dit levert ongeveer 50% van de Nederlandse CO2-uitstoot op.
  • Aardgas is verantwoordelijk voor 1/3 van de Nederlandse CO2-uitstoot. Ongeveer 70% wordt gebruikt voor de verwarming van gebouwen (huishoudens, kantoren en publieke ruimten) en de rest voor de industrie.
  • Steenkool wordt gebruikt voor de electriciteitscentrales en levert 10% van de fossiele energie (zie energie balans).

Situatie 2050

Het verwachte prijsverloop van de energiedragers tot 2050 is samengevat (zie Energie): Kolen blijven gelijk in prijs, olie gaat over 10 jaar sterk in prijs omhoog en is rond 2060 zo goed als op, gas is er nog voldoende en zal de prijsstijgingen van de olie gedeeltelijk volgen, de productie van duurzame energie wordt steeds goedkoper maar zal niet zo goedkoop worden als de elektriciteit uit steenkool. Voor grootschalige invoering van duurzame energie zijn enorme investeringen en beheerskosten nodig voor opslag, transport en back-up mogelijkheden. Fossiele brandstoffen blijven als energiedrager veel goedkoper dan duurzame energiesoorten. Om toch over te gaan op duurzame energie zal dwang (belasting) of beloning (subsidie) nodig zijn. Keuzes moeten gemaakt worden wat moet er eerst en wat mag als laatst veranderd worden. Om deze keuzes te kunnen maken moet eerst inzicht verkregen worden hoe de situatie in 2050 wordt of moet worden.

De invoering van duurzame energie verschilt voor huishoudens, kantoren en publieke ruimten, industrie en transport.

Huishoudens

In 2015 verbruiken huishoudens voor verwarming 350 PJ aan gas en voor licht en apparatuur 100 PJ aan elektriciteit (Bron: CBS).

  • In 2015 betaalt de consument ongeveer 20-22 cent / kWh voor stroom bestaande uit 6-8 cent /kWh aan de producent plus ongeveer 14 cent /kWh belastingen. Daardoor is voor huishoudens zelf opgewekte zonnestroom voordeliger dan stroom van de producent. De overheid kan door het verminderen of verhogen van de belasting op fossiele elektriciteit, huishoudens sturen om zonnepanelen te kopen. Huishoudens zijn uiteindelijk in staat het eigen verbruik zelf op te wekken. Daarbij zijn de elektriciteitscentrales nog nodig voor de donkere dagen en de nachten. Het belastingvoordeel wat de burger krijgt bij de productie van zonne-energie gaat ten koste van de belastinginkomsten van de overheid. De overheid zal deze belasting ergens anders moeten compenseren.
  • De verwarming van huizen met gas kan vervangen worden door aardwarmte en warmtepompen op elektriciteit. Er is dan nog ongeveer 1/3 van de energie nodig in de vorm van elektriciteit. De invoering van de warmtepomp is bij nieuwe huizen duurder dan de standaard gasketel en bij bestaande huizen veel duurder. Als de overheid de warmtepomp voor nieuwe huizen in 2015 verplicht stelt, is in 2050 ongeveer 1/3 van de huizen met een warmtepomp uitgevoerd (levensduur huis van 100 jaar). Bestaande huizen gasvrij maken is zo goed als onmogelijk. Huizen verbruiken minder energie door steeds betere isolatie. Ongeveer 200 PJ aan gas en 50 PJ aan elektriciteit is na 2050 nodig voor verwarming.

In 2050 verbruiken huishoudens 200 PJ gas en 150 PJ elektriciteit.

Kantoren en publieke ruimten

In 2015 verbruiken kantoren en publieke ruimten voor verwarming 200 PJ aan gas en voor licht en apparatuur 150 PJ aan elektriciteit (Bron: CBS). Voor deze verandering geldt ongeveer hetzelfde als voor huishoudens.
In 2050 verbruiken kantoren en publieke ruimten dan ongeveer 120 PJ gas en 200 PJ elektriciteit.

Transport

In 2015 verbruikt het transport 1000 PJ aan olie; dit is inclusief de 600 PJ nodig voor de scheepvaart en de vliegtuigen.

Het olieverbruik in Nederland is voor 80% transport en 20% grondstof voor producten. Olie heeft unieke eigenschappen: het heeft een hoge energiedichtheid en is gemakkelijk mee te nemen. Olie veroorzaakt in Nederland de helft van de totale CO2-uitstoot. Olie raakt over 50 jaar op en het transport moet dan zijn overgegaan op andere energiesoorten. In de aanloop naar 2050 zal de prijs van olie door de grote vraag en het kleine aanbod sterk gaan stijgen. De prijzen van benzine, diesel, kerosine en scheepsbrandstof zullen vele malen zo hoog zijn als in 2015 (10x, 100x?). Daarmee zal het transport snel duurder worden. De tekorten kunnen niet opgevangen worden met biobrandstoffen. De productie van biobrandstoffen vermindert de voedselproductie en voedsel is met de almaar groeiende bevolking hard nodig.

In 2015 maken de brandstofkosten in het Nederlands wegtransport minder dan de helft van de totale kosten uit (loonkosten zijn erg hoog). De vervoerde producten zullen bij sterke prijsverhogingen van olie niet direct sterk in prijs stijgen. In ontwikkelingslanden vormen de brandstofkosten wel het grootste gedeelte van de transportkosten waardoor de vervoerde producten daar wel snel in prijs stijgen. Import van producten loont dan veel minder en Nederland zal zelf haar eigen producten moeten maken; de globalisering neemt af. Toch duurt deze verandering te lang om op tijd de CO2-uitstoot te beperken. De overheid zal maatregelen moeten nemen om de verandering te versnellen.

Onderstaande tabel laat het verschil in energie zien benodigd om een kilogram product naar Nederland te brengen vanuit verschillende continenten en met ver­schillende transportmiddelen. De energie is uitgedrukt in MJ en is indicatief. Eén MJ komt overeen met 0,278 kWh. Bron Ecolife 2006 G. Goeminne en S. Vromman,

 Europa wegtransport 4,6
 Europa vliegtuig 16
 Europa vrachtschip 0,4
 Europa trein 1,3
 Noord-Amerika vliegtuig 76
 Noord-Amerika vrachtschip 13
 Afrika vliegtuig 93
 Afrika vrachtschip 13
 Azië/Australië vliegtuig 154
 Azië/Australië vrachtschip 18
 Zuid-Amerika vliegtuig 99
 Zuid-Amerika vrachtschip 12

Als over 50 jaar de olie zo goed als op is zal het transport er totaal anders uitzien. De prijs van olie en afgeleide brandstoffen zal extreem hoog zijn. In 2050 zal het energieverbruik volgens de Stemwijzervoordetoekomst zijn:

  • De particuliere auto rijdt volledig op elektriciteit (250 PJ elektrisch).
  • Vrachtauto's kunnen veel minder meenemen omdat de voorraad duurzame brandstof een groot gedeelte van de vracht inneemt. Transport van goederen is voor een groot deel verschoven van de vrachtauto naar het vrachtschip en de trein. Nog ongeveer 1/3e rijdt op olie in vergelijking met 2015. Het verbruik is dan 50 PJ olie.
  • Vliegtuigen hebben kerosine of een vervanger daarvan nodig. De prijs van dit synthetische aardolieproduct is in 2050 erg hoog. Het vliegen is sterk afgenomen. Wanneer vliegen is gereduceerd tot 1/5e van 2015 betekent dit nog 30 PJ olie.
  • Vrachtschepen zijn overgegaan op andere fossiele brandstoffen. Op een schip is voldoende ruimte voor de opslag van andere energiesoorten. Transport met een vrachtschip is niet veel duurder geworden dan in 2015. Wel is de globalisering dan sterk afgenomen waardoor veel minder schepen noodzakelijk zijn. Het verbruik is dan 450 PJ kolen.
  • De trein rijdt in 2015 op elektriciteit en doet dit ook na 2050. Een verschuiving van vrachtauto naar rail heeft plaatsgevonden en leidt tot 100 PJ elektrisch verbruik.

In 2050 verbruikt het transport dan ongeveer 350 PJ elektriciteit, 450 PJ steenkool en 80 PJ olie.

Industrie

In 2013 verbruikt de industrie 600 PJ olie, 100 PJ steenkool, 300 PJ aardgas en 100 PJ elektriciteit. Daarnaast wordt voor 500 PJ aan olie als grondstof voor andere producten gebruikt. Olie als grondstof voor andere producten is erg belangrijk en heeft geen invloed op de CO2-uitstoot. Voor de industrie geldt dat naast de verplichting de CO2-uitstoot te verminderen en de duurder wordende olie ook transport en grondstoffen steeds duurder worden. Duurdere grondstoffen maken dat een circulaire maatschappij nodig is; grondstoffen moeten uit ons afval gehaald worden. De hoge transportkosten maken dat industrieën die in het verleden verplaatst werden naar goedkope landen, terugkomen. Echter, onze industrieën die energetisch veel goedkoper ergens anders kunnen bestaan, vertrekken zoals de glastuinbouw. De glastuinbouw verstookt 120 PJ aardgas per jaar en kan de productie met veel minder energie in zuid Europa laten plaatsvinden.

Bij de inschatting van 2050 wordt uitgegaan van een 30% besparing op energie, het vertrek van de glastuinbouw en een grootschalige omschakeling op elektriciteit. 
In 2050 verbruikt de industrie dan ongeveer 100 PJ olie, 200 PJ steenkool, 100 PJ gas en 300 PJ elektriciteit.

Conclusie

In tabelvorm afgerond in PJ verbruikt Nederland na 2050 per jaar:

 Energie verbruik in PJ olie gas  steenkool  elektriciteit
 Huishoudens    200    150
 Kantoren en publieke ruimten    120    200
 Industrie  100  100  200  300
 Transport:        
Personen wegvervoer        250
Vrachtauto’s   50      
Rail        100
Scheepvaart      450  
Luchtvaart   30      

In 2050 is 1000 PJ elektriciteit nodig. Nog steeds worden er dan 1300 PJ fossiele brandstoffen verstookt. Dus het gestelde doel van 80% reductie van fossiele brandstoffen is dan nog lang niet gehaald. Hiervoor moet de verandering veel strenger worden doorgevoerd dan hierboven is gekenschetst. Van de 1300 PJ fossiele brandstoffen moeten er nog eens 1000 PJ duurzaam worden opgewekt. Dus bij gelijkblijvende bevolking en consumptie moet in 2050 ongeveer 1000 tot 2000 PJ duurzaam worden opgewekt.

Het oppervlak van Nederland is te klein om deze hoeveelheden duurzame energie op te wekken. Hoge investeringen en beheerskosten zijn nodig voor opslag (bij teveel productie), transport en back-up  (bij te weinig productie). Nederland zal energie moeten inkopen bij de buurlanden maar deze worstelen met hetzelfde probleem. Gevolg is dat Nederland in 2050 veel minder energie kan/mag verbruiken.  Een inschatting is dat in 2050 nog maar een kwart van het energieverbruik van 2013 beschikbaar is. Voor een aanvaardbare levensstandaard in 2050 lijkt een halvering van het consumptieniveau en een halvering van de bevolking ten opzichte van 2013 noodzakelijk.